Elektrisch vermogen en stroom berekenen

Een verbruiker van 3.680 W op 230 V eenfase trekt precies 16 A en belast de groep met 3.680 VA schijnbaar vermogen: dat is de volle 16 A-groep, zonder marge. Op een driefase-aansluiting van 400 V zou dezelfde belasting nog maar 5,3 A per fase vragen.

Jouw groep

Het typeplaatje geeft het asvermogen — uit het net komt dat gedeeld door η.

Een weerstand is 1; motoren zitten rond 0,8–0,9.

De automaat waarachter deze belasting komt te hangen.

Uitkomst

Opgenomen stroom
16 A
Opgenomen werkelijk vermogen
3.680 W
Afgegeven nuttig vermogen
3.680 W
Schijnbaar vermogen
3.680 VA
Blindvermogen
0 var
Voedingsspanning (V)
230,0 V

Past op de groep

Er wordt uitgegaan van een symmetrische belasting en een sinusvormige spanning; harmonischen van frequentieregelaars en elektronica tillen de werkelijke stroom boven deze waarde.

Dezelfde belasting op de andere aansluitingen hier

  • 230,0 V · Eenfase16 APast op de groepjouw aansluiting
  • 400,0 V · Driefase5,3 APast op de groep

Waarde van de installatieautomaat (A): 16 A · IEC 60898-1

Hoe er gerekend wordt

Drie formules, één per aansluiting, en het enige verschil is hoeveel geleiders de stroom dragen:

gelijkstroom   P = V · I
eenfase        P = V · I · cos φ
driefase       P = √3 · V · I · cos φ     (V tussen fasen)

Naar stroom herschreven: I = P / (k · V · cos φ), met k gelijk aan 1 bij gelijkstroom en eenfase en √3 bij driefase. De rest volgt uit dezelfde getallen: het schijnbare vermogen S = P / cos φ in voltampère, dat kabel en transformator werkelijk moeten dragen, en het blindvermogen Q = √(S² − P²) in var, het deel dat heen en weer gaat zonder arbeid te verrichten.

Motoren kennen een extra stap. Hun plaatje noemt het mechanische asvermogen, niet het opgenomen vermogen, en daartussen staat het rendement. Zet het asvermogen in het veld dat daarvoor is: de tool rekent eerst om, zodat de getoonde stroom de stroom is die de kabel echt ziet.

De tabel onder het resultaat beantwoordt de vraag die er bijna altijd op volgt: zou het elders makkelijker gaan? Hij legt dezelfde watts op elke aansluiting die hier voorkomt — 230 V eenfase en 400 V driefase — en beoordeelt de stroom tegen de automaat die je hebt ingevuld. Die vergelijking bepaalt of er een groep bij moet of dat een ander stopcontact volstaat.

Rekenvoorbeeld

Jouw groep

Systeem
Eenfase
Voedingsspanning (V)
230,0 V
Vermogen (W)
3.680 W
Arbeidsfactor cos φ
1,00
Waarde van de installatieautomaat (A)
16 A

Uitkomst

Opgenomen stroom
16 A
Opgenomen werkelijk vermogen
3.680 W
Afgegeven nuttig vermogen
3.680 W
Schijnbaar vermogen
3.680 VA
Blindvermogen
0 var

Past op de groep

Formule
P = V · I · cos φ · P₃ = √3 · V · I · cos φ · S = P / cos φ
Norm
IEC 60038, IEC 60898-1
Grenzen van het model
Er wordt uitgegaan van een symmetrische belasting en een sinusvormige spanning; harmonischen van frequentieregelaars en elektronica tillen de werkelijke stroom boven deze waarde.

Berekend door Voltacalc met dezelfde engine als de tool hierboven.

Wat in Nederland geldt

De Nederlandse huisinstallatie draait om één getal: een groep van 16 A op 230 V levert 3680 W, en dat is precies waar een waterkoker plus een airfryer tegenaan lopen. Nieuwbouw krijgt daarom vaker een driefase-aansluiting van 3×25 A, zeker met een warmtepomp of een laadpaal erbij, want dezelfde kilowatts verdelen zich dan over drie fasen. Bij motoren geldt bovendien dat het typeplaatje het asvermogen noemt: uit het net komt dat gedeeld door het rendement, en de aanloopstroom ligt een veelvoud hoger dan de nominale stroom.

Wie beslist
NEN, de netbeheerder en een erkend installateur
Norm
NEN 1010 — Elektrische installaties voor laagspanning
Stroomtabel
NEN 1010 deel 5-52, tabellen met toelaatbare stroom per installatiemethode, inclusief de correctiefactoren voor omgevingstemperatuur en bundeling van groepen
Toegestaan verlies
NEN 1010 volgt bijlage G van HD 60364-5-52: als richtwaarde ten hoogste 3 % spanningsverlies voor verlichtingsgroepen en 5 % voor overige groepen, gerekend vanaf het overnamepunt tot aan het toestel. Bij 230 V is 3 % dus 6,9 V en 5 % 11,5 V. (Nagekeken: 12 september 2026)

Vragen uit de praktijk

Heb ik de arbeidsfactor nodig?

Bij verwarming en gloeilampen niet: cos φ is 1 en watt is gelijk aan voltampère. Bij motoren, transformatoren en de meeste elektronica wel, want het net draagt het schijnbare vermogen P / cos φ terwijl de meter het werkelijke vermogen telt. Een motor met cos φ 0,85 trekt ongeveer 18 % meer stroom dan het wattgetal doet vermoeden.

Wat is het verschil tussen asvermogen en opgenomen vermogen?

Het typeplaatje geeft het vermogen dat de as levert. Uit het net komt die waarde gedeeld door het rendement, dus 5,5 kW asvermogen bij rendement 0,88 betekent 6,25 kW opgenomen. Zet het asvermogen in het eigen veld, dan rekent de tool dat eerst om en pas daarna de stroom.

Is de getoonde stroom meteen de groepsgrootte?

Nee, het is de bedrijfsstroom van de belasting. De automaat kies je daarna, met oog voor continu gebruik, aanloopstroom en de afschakelkarakteristiek — bij motoren meestal C-karakteristiek of een motorbeveiliging. De tabel vergelijkt jouw stroom met de waarde die je invult en kiest de beveiliging niet voor je.

Normen en bronnen

  • NEN 1010 — Elektrische installaties voor laagspanning
  • NEN 1010 deel 5-52, tabellen met toelaatbare stroom per installatiemethode, inclusief de correctiefactoren voor omgevingstemperatuur en bundeling van groepen

Laatst nagekeken: 13 september 2026

Rekentools